Algemene informatie

De Vereniging voor Belastingwetenschap is opgericht in 1925

Tweemaal per jaar houden zij een algemene vergadering waarin een rapport van een van de commissies van de Vereniging of over een preadvies wordt gedebatteerd of waarin een inleiding (met aansluitend debat) wordt gehouden. Die rapporten, preadviezen, inleidingen en debatten worden als Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap gepubliceerd. Tot dusver zijn ruim 250 Geschriften verschenen over onderwerpen die het gehele terrein van het belastingrecht bestrijken: nationaal en internationaal belastingrecht, directe en indirecte belastingen, en formeel en materieel belastingrecht. Volgens de statuten kunnen leden zijn "zij die geacht kunnen worden in staat te zijn tot wetenschappelijke arbeid welke met het doel van de Vereniging, de bestudering van de belastingwetenschap, verband houdt". De Vereniging telt thans bijna1.400 leden uit alle geledingen van de fiscale wereld, zoals hoogleraren en wetenschappelijk medewerkers aan universiteiten, ambtenaren, leden van de rechterlijke macht, belastingadviseurs en bedrijfsfiscalisten. Door deze verscheidenheid biedt het lidmaatschap een unieke mogelijkheid om, vanuit een oprechte belangstelling voor het belastingrecht, buiten het kader van de eigen werkkring contact te hebben met gelijkgestemden en andere geïnteresseerden.

Geschiedenis Vereniging voor Belastingwetenschap

Ontstaan van de Vereniging

De oprichtingsvergadering van de Vereniging voor Belastingwetenschap vond plaats op 24 januari 1925, in Parkzicht te Amsterdam. Wat aan die oprichting voorafging, wie de initiatiefnemers waren en hoe die vergadering verliep is allemaal geboekstaafd door prof.mr H. Schuttevaer in de voordracht die deze hield ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van de Vereniging (Geschrift 140, 1975). Het volgende is een citaat uit die voordracht.

Mr. W.E.C. de Groot, algemeen jurist, in 1912 als zodanig in Utrecht gepromoveerd, is, na een loopbaan bij de balie, een stage bij de rechterlijke macht en een periode in het bankwezen, via de dienst van de gemeentebelastingen te Amsterdam, overgegaan naar 's Rijksbelastingdienst. Toen, gelijk ook later, verkreeg een zodanige, niet via het 'surnumerairexamen' ingetreden inspecteur ambtelijk een positie waarin elementen van 'afzonderlijkheid' scholen. Deze inspecteurs toch volgden niet de gewone hiërarchie; voorts werd - zo geheel anders dan thans bijvoorbeeld bij iemand die op latere leeftijd de rechterlijke macht betreedt - geen rekening gehouden met elders opgedane juridische of (anderszins) beroepservaring.Juist een zodanige buitenstaander echter staat mogelijk - ook door bredere en andersoortige oriëntering - kritischer tegenover de status quo van het vak dat hij nu betreedt, dan de ambtenaar, van het begin af gepokt en gemazeld in een der 'dienstvakken'. Die mogelijkheid lijkt bij De Groot werkelijkheid te zijn geworden. Op een wandeling in de lunchpauze met P.J.A. Adriani, dan inspecteur der registratie en domeinen - ambtelijk óók bewoner van het Oost-Indische Huis'- roert hij jegens deze het denkbeeld aan, te komen tot oprichting van een vereniging die zich met bestudering van belastingproblematiek zal bezighouden. Adriani, dan al redacteur van het WPNR en regelmatig wetenschappelijk werkzaam, is vol belangstelling en sterk gezind tot medewerking. De Groot assumeert zich nog de medewerking van dr. Sternheim, dan redacteur van het Handelsblad en van mr. Schaapveld. Het viertal groeit uit tot een elftal, dat op 10 november 1924 in Parkzicht te Amsterdam vergadert onder leiding van Adriani. Men besluit nog een aantal anderen te vragen om ook hún adhesie; daarna zullen deze allen een circulaire doen uitgaan, te verzenden aan daarmee voor een oprichtingsvergadering uit te nodigen personen. Adriani bedenkt de naam, De Groot concipieert de statuten die, essentieel ongewijzigd, tot op heden aan onze Vereniging tot leefregel strekken.
Het Handelsblad van 24 januari 1925 bevat een verslag over twee kolommen van de op die dag gehouden oprichtingsvergadering, gepresideerd door mr. G. Kirberger, lid van de Hoge Raad. Op de circulaire hebben zich 260 personen gemeld; velen onder de toevoeging dat zij niet slechts lid willen worden, maar dat zij in en voor de vereniging ook willen werken. Ter vergadering zijn aanwezig 136 personen, waaronder evenwel - zoals De Groot laconiek heeft genotuleerd - 'verschillende niet-uitgenodigden'. Wat was het geval?
Van de aanvang af was van de zijde der initiatiefnemers - en wie daarop later leidinggevend waren gevolgd - het standpunt ingenomen dat men bij samenstelling van het ledenbestand sterk selectief te werk zou moeten gaan. Dit onder meer in die zin dat het zou moeten gaan om keuze van personen op grond van hun studie- en maatschappelijke patroon en de verwachtingen die men binnen het verenigingskader van hen wetenschappelijk zou kunnen koesteren. Selectie van mensen omdat zij tot een bepaalde groep behoorden was daarmee uitgesloten. Zodanig systeem was ook voor de oprichtingsvergadering gevolgd. De eerder bedoelde 260 mensen behoorden dan ook tot zeer veel studie- en beroepscategorieën: economen, leden van de rechterlijke macht, leden of secretarissen van Raden van beroep, algemene juristen, statistici, een viertal belastingconsulenten; dit vak was nog nieuw! En voorts uit elk der groepen accountancy, notariaat, inspecteurs der d.b. en inspecteurs en ontvangers der registratie en domeinen een veertigtal. Uit de oprichtingstijd en kort daarna noem ik uit de universitaire docentenwereld uit Leiden E.M. Meijers en de staatsrechtsgeleerde Hugo Krabbe, uit Amsterdam GU de civilist Paul Scholten, de bedrijfseconoom Limperg.
Ook het eerste bestuur vertoont uiteraard die brede afspiegeling. Naast Van den Dries, Adriani en De Groot vinden wij: een notaris, een financieel redacteur van het Handelsblad, een lid van de Hoge Raad, de redactiesecretaris van het tijdschrift 'De Naamlooze Vennootschap', het hoofd van de dienst der gemeentebelastingen te Amsterdam, de directeur van het gemeentelijk statistisch bureau van die gemeente, de Amsterdamse Wethouder Wibaut, en Limperg voornoemd. Weinige maanden later worden E.M. Meijers en J. van der Poel -dan inspecteur te Enschede - aan het bestuur toegevoegd.
Een uitnodiging aan 'de inspecteurs als zodanig' was dus terecht niet gedaan; evenmin aan 'de leden als zodanig' van de beide inspecteursverenigingen. Dit als uitvloeisel van het beleid, waarbij naar personen zou worden geselecteerd.Gevoelens van de opperste verbazing - om maar bij dit woord te blijven - moeten zich dus wel van de initiatiefnemers hebben meester gemaakt toen zij daar, kort voor het begin van de vergadering, een aantal niet-genodigde inspecteurs der directe belastingen door een zijdeur zagen opkomen, onder aanvoering van de hoc tempore voorzitter van de vereniging van deze inspecteurs onder wiens leiding die vereniging tevoren elders vergaderd had. Mede deze gebeurtenis is uiteraard aanleiding geweest tot hernieuwde bezinning in 1925 en 1926 op het uitnodigingsbeleid. Het gekozen beleid is na bespreking op een algemene vergadering uit die jaren, met instemming van de leden bestendigd. Als op 28 oktober 1926 door een lid-inspecteur wordt voorgesteld, nog 43 inspecteurs voor het lidmaatschap uit te nodigen, vindt dan ook dit voorstel bij monde van enige bestuursleden bestrijding. Voorzitter Van den Dries wijst er vervolgens op dat reeds dán van de 332 leden er 196 uit de belastingdienst afkomstig zijn. Zouden er en bloc weer eens 43 worden toegelaten, dan zou het inspecteursbestand bijna 2/3 van het hele ledenaantal vormen.
De reeds eerder benadrukte wenselijkheid van het aantrekken van met name ook economen wordt bij die gelegenheid - en opnieuw op een bestuursvergadering van 1 oktober 1927 - weer uitgesproken. Op enkele uitzonderingen na wordt dan ook de lijst der 43 tot nader order terzijde gelegd.
Geleidelijk aan lijkt de problematiek zich te hebben geëffend. Ter bestuursvergadering van 30 april 1927 worden wederom enkele inspecteurs aangenomen. En als op 16 februari 1928 het ledental met 77 aangroeit, zijn daaronder een kleine 40 inspecteurs uit de beide belastingdienstvakken. Tegen het einde van 1928 is het totale ledental op 470 gekomen.

Belastingwetenschap versus belastingrecht

In zijn openingstoespraak op 24 januari 1925 zette Adriani de bedoeling van de initiatiefnemers uiteen. De werkzaamheden van de Vereniging voor Belastingwetenschap dienden een aanzienlijk ruimer gebied dan het belastingrecht te bestrijken. De belastingwetenschap diende meerdere disciplines te integreren, hetgeen duidelijk iets anders is dan het bestuderen van het belastingrecht met gebruikmaking van diverse hulpwetenschappen.Dat deed wel de vraag rijzen of de belastingwetenschap inderdaad een afzonderlijke wetenschap is, zoals de eerste voorzitter van de Vereniging reeds in 1927 in een rede opmerkte. Die vraag blijft de gemoederen bezig houden. Nog zeer recent, tijdens de Algemene ledenvergadering van 14 januari 1999, kwam dit thema opnieuw aan de orde toen de nieuw benoemde voorzitter, Van Brunschot, in zijn dankwoord aan de aftredend voorzitter, mr S. Stoffer, de stelling poneerde dat belastingen zich niet lenen voor wetenschappelijke studie. Die stelling ondervond toen geen tegenspraak maar het zou te ver gaan om hieraan de conclusie te verbinden dat de aanwezigen de stelling onderschreven.Als afspiegeling van deze brede opzet zaten in het bestuur, naast eminente juristen, onder wie Meijers en de leden van de Hoge Raad Van den Dries en Kirberger, ook vertegenwoordigers van andere disciplines, zoals de economen-accountants Limperg en Sternheim, de statisticus Van Zanten en de machtige Amsterdamse wethouder Wibaut. Of de Vereniging die grote verwachtingen en ambities omtrent haar werkgebied heeft waargemaakt valt te betwijfelen. Volgens A.J. van den Tempel - die ons nog zo recent is ontvallen - was dit zeker niet het geval. In een column in het Weekblad (1985/5675) stelde hij vast dat de Vereniging in de loop der jaren haar oorspronkelijke karakter van een besloten genootschap van sociaal-economisch-financieel-fiscaal geïnteresseerden had verloren en was geworden tot een vereniging van belastingexperts. De belastingwetenschap was, naar zijn oordeel, een illusie gebleken. Van den Tempel onthield zich daarbij uitdrukkelijk van een waardeoordeel. Het was louter een constatering zijnerzijds maar hij betreurde wel dat het zo gelopen was. De constatering van Van den Tempel was juist. Nog steeds zijn de nieuwe leden voornamelijk werkzaam als belastingexpert, de overheid of in de particuliere sector. Vooral vanuit de kring van belastingconsulenten is de aanwas groot en vanuit niet-fiscale disciplines is deze te verwaarlozen. Wat daarvan ook de reden moge zijn, wij kunnen in ieder geval constateren dat de groei en bloei van de vereniging niet hebben geleden door de keuze voor de weg die de Vereniging is ingeslagen.

Studierapporten, preadviezen, voordrachten

De werkwijze van de Vereniging is in de loop der jaren niet wezenlijk veranderd. De aan de orde gestelde onderwerpen worden behandeld aan de hand van commissierapporten, praeadviezen en lezingen. Schuttevaer maakte, voor wat betreft de eerste 50 jaren van het bestaan de Vereniging, een indeling van onderwerpen (Geschrift 140, pag. 16) die er als volgt uitzag:

1. Belastingwetenschap, algemeen - 13
2. Grondbelasting, pers.bel., couponbelasting - 4
3. Inkomstenbelasting, loonbelasting c.a. - 15
4. Vermogensbelasting - 1
5. Vennootschapsbelasting, winstbelasting - 3
6. Invoerrechten, accijnzen - 2
7. Successie- en rechtsverkeerbelastingen - 5
8. Meer specifiek bedrijfseconomische onderwerpen - 6
9. Onderwerpen i.v.m. buitenlands recht - 10
10. Diversen (c.q. onderw., op meer dan één rubriek betrekking hebbende ) - 11

In de 25 meest recente jaren is opnieuw een grote variëteit aan onderwerpen aan de orde gekomen. In de rubriek "Belastingwetenschap, algemeen" valt op het rapport over het begrip "belastingen", van een commissie onder leiding van prof mr. H.J. Hofstra (Geschrift 184). In deze categorie valt ook het onderwerp "de administratieve boete", welk onderwerp voor het eerst aan de orde was op de vergadering van 13 december 1985. De behandeling geschiedde naar aanleiding van het toen zeer recente arrest van de Hoge Raad, waarin deze besliste dat de oplegging van een zware administratieve boete een strafvervolging is in de zin van artikel 6 EVRM. Het overwegend sceptische gehoor van fiscale experts, dat nog niet volledig besefte hoe ingrijpend die beslissing zou zijn voor het in de AWR vastgelegde boetesysteem, kreeg toen van experts op het gebied van het straf- en internationaal recht voor het eerst voorgehouden dat dit systeem, zoals het al decennia in Nederland had gefunctioneerd, niet meer was te handhaven. Inmiddels weten wij hoe nauwkeurig deze voorspellingen zijn gebleken. Een overzicht van de belangrijkste wijzigingen in het systeem van de administratieve boete die daarna door de Hoge Raad zijn aangebracht (voordat de wetgever een nieuw systeem had ontwikkeld) vinden wij in een Geschrift van de Vereniging (no. 192, De fiscale boete, ontwikkelingen en toekomst, met een inleiding van mr P.J. Wattel), waarin het verslag is opgenomen van de vergadering die de Vereniging op 20 maart 1993 opnieuw aan dit onderwerp wijdde.

Een ander bijzonder vermeldenswaard onderwerp, dat al vroeg de aandacht van de Vereniging heeft getrokken, is de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht en de betekenis daarvan voor het belastingrecht. Het was het Dagelijks Bestuur opgevallen dat in de regeringscommissie Scheltema, die was ingesteld om hierover te adviseren, een fiscalist ontbrak. De Vereniging heeft zich er toen voor ingezet dat alsnog een fiscalist aan deze commissie zou worden toegevoegd. Dit resulteerde erin dat mr J. van Soest deel ging uitmaken van de regeringscommissie. Voorts stelde de Vereniging zelf een commissie in die het voorontwerp van de Algemene wet bestuursrecht bestudeerde met het oog op de gevolgen voor het belastingrecht en daarover een rapport deed verschijnen (Geschrift 177). De commissie stond onder leiding van mr J.C.J. van Vucht, destijds voorzitter van de Vereniging. Zij velde een zeer kritisch oordeel over het voorontwerp en concludeerde dat het beter zou zijn om het belastingrecht van de werking van de Algemene wet bestuursrecht uit te zonderen. Tijdens het debat dat de vereniging hierover voerde (Geschrift 179) liepen de emoties op doch, geheel in overeenstemming met de binnen de Vereniging gebruikelijke hoffelijkheid, bleek aan het slot van het debat dat de voor- en tegenstanders weliswaar niet hun standpunten maar wel hun emoties hadden weten te verzoenen. Enige jaren later heeft de Vereniging opnieuw aandacht gewijd aan de Awb, ditmaal in verband met het ontwerp voor de tweede en derde tranche van deze wetgeving (Geschriften 193 en194).

De internationale dimensie van het belastingrecht heeft van oudsher veel aandacht gekregen binnen de Vereniging. De totstandkoming van de Internationale Vereniging voor Financieel en Fiscaal Recht (de huidige IFA) op 12 februari 1938 is zelfs in belangrijke mate het werk geweest van de Vereniging, in het bijzonder van haar secretaris mr W.E.C. de Groot, die tevens de eerste secretaris was van die vereniging. De belangstelling voor de internationale aspecten blijkt ook uit de onderwerpen. In de hierboven weergegeven rubricering van Schuttevaer komen onderwerpen i.v.m. buitenlands recht tienmaal voor. Ook in de laatste 25 jaren kwam de internationale dimensie van het belastingrecht ruim aan de orde. Prof.dr. S. Cnossen schreef een preadvies getiteld "Hervorming van de inkomstenbelasting: een internationaal perspectief" (Geschrift 182), Mr T. Koopmans hield een lezing over "Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de belastingen" (Geschrift 186), een commissie onder leiding van prof.dr H.A. Kogels schreef een rapport over de Europese BTW-heffing en in juli 1997 waren er drie inleidingen over het thema "Fiscale concurrentie en monetair beleid". Ook de behandeling van het onderwerp internationale belastingvlucht van lichamen had een duidelijk internationale signatuur (Geschriften 196 en 198) en op de lustrumbijeenkomst van vandaag staat opnieuw een bij uitstek internationaal onderwerp op de agenda: de veranderende aanknopingspunten voor de belastingheffing.

Een ander thema dat de laatste 25 jaren regelmatig op de agenda terugkeerde is de hervorming van het belastingstelsel. Het thema stond centraal in het preadvies van prof.dr. L.G.M. Stevens getiteld "Integratie van de premieheffing volksverzekeringen in de loon- en inkomstenbelasting"(Geschrift 169). Verder kwam het aan de orde in een drietal inleidingen over de toekomst van de vermogensbelasting van respectievelijk prof.mr. Ch.P.A. Geppaart, prof.mr. T. Blokland en prof dr S. Cnossen (Geschrift 195). Een analytisch belastingstelsel stond centraal in het rapport van een commissie onder leiding van prof.dr. J.E.A.M. van Dijck (Geschrift 197). Enige jaren daarna besprak de Vereniging het rapport van een commissie onder leiding van prof dr A Rijkers, getiteld "Inkomstenbelasting over vermogensmutaties". Bijzonder vermeldenswaard is tenslotte de recente en zeer levendige vergadering van 29 februari 2000 waarin werd teruggekeken op de inmiddels zo goed als afgeronde wetgevingsoperatie inzake het Belastingplan 2001. Deze opsomming rechtvaardigt de vaststelling dat de Vereniging duidelijk heeft bijgedragen aan de gedachtevorming over de herziening van het belastingstelsel, door het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken aan de orde te stellen.

Naast deze thema's kwam een grote variëteit aan onderwerpen aan de orde, soms van zeer technische aard, zoals de fiscale eenheid en fiscale aspecten van financiële instrumenten en soms van meer beschouwende aard, zoals "het gelijkheidsbeginsel in ethisch perspectief".